Het woord hysterisch wil ik niet in de mond nemen. Dat doet mijn vrouw wel, als ze het verhaal in de dagen daarna vertelt aan iedereen die ook maar een spoor van interesse toont. Licht geagiteerd, zou ik zelf mijn gemoedstoestand willen omschrijven, als ik me bij het veertiende tuincentrum in een vieze motregen en in het schemerduister een weg baan door een woud van aangevreten, slaphangende, zwaarkalende en scheefgegroeide kerstbomen, op zoek naar dat ene volmaakte exemplaar dat in onze huiskamer moet worden opgetuigd. Het kan zijn dat ik – als uitgerekend op dat moment mijn eega belt met de vraag of het nog een beetje lukt – mijn stem enigszins verhef met de uitroep: “Volgend jaar nemen we een kunstboom!” Waarna ik de mededeling van mijn wederhelft dat ik dan niet meer thuis hoef te komen, voor onverschillige kennisgeving aanneem.
Maand: december 2015 (Pagina 2 van 3)
De keer dat ze er getuige van moest zijn hoe haar moeder de weg wees aan een Engelse automobilist en voor rotonde het woord ‘rowtunde’ gebruikte, was ze uit schaamte het liefst direct door het asfalt verzwolgen. Maar nu staat onze dochter veilig vijftig meter verderop bij haar vriendinnen als wij in ons steenkolenengels aan een Amerikaanse wetenschapper uitleggen waarom wij op de ‘Poetry Evening’ van de Internationale School zijn komen opdraven. In welk ver buitenland hebben wij verbleven?, wil hij weten. In geen enkel. We wonen ons hele leven al acht kilometer verderop, gaan er wel eens met de caravan op uit, hebben vrienden in Spanje, maar dat was het wel zo’n beetje. Het was onze dochter zelf die zo nodig naar het tweetalig onderwijs moest.
Te veel zelfgenoegzaamheid (Reinout Oerlemans) is niet goed, maar ook ik word soms overvallen door momenten van intense tevredenheid. ,,Het is nu kwart over acht en alle buitenlichten zijn uit”, meld ik mijn eega in de vroege ochtenduren, na een inspectierondje van de voordeur naar het schuurtje. Sinds eind september probeer ik alle schakelklokken in ons huis er van te doordringen dat de wintertijd is begonnen. Net voor het einde van 2008 is het me gelukt.
Bij de volgende verbouwing zet ik een draaideur op m’n verlanglijstje. Tot die tijd worden we aan de ontbijttafel vergast op een venijnige sneeuwvlaag, elke keer als onze zoon gestrest van zijn fiets bij het schuurtje naar onze woonkeuken rent voor alles wat hij deze morgen op weg naar school nog is vergeten. Zijn handschoenen. Het werkbezoek voor aardrijkskunde. Zijn buitengymschoenen (want je weet maar nooit, deze winter, wat die sportleraar in zijn hoofd haalt). En, o ja, hijgt hij, bij wat wij hopen dat zijn laatste oprisping is: ‘Hebben jullie nog iets voor de voedselbank?’
Er is een arts in Wales die mij één keer het leven heeft gered. Maar de keren dat Dolf Jansen, Felix Meurders, Wim Daniëls, Martijn Koning en Hans Lebbis hebben voorkomen dat ik me met auto, caravan, vrouw en twee kinderen met de cruise control steady op 90 kilometer per uur in een tolhuisje op de Route du Soleil boorde, zijn niet meer op de vingers van twee handen te tellen.
De strijd om de nalatenschap ontbrandt gewoonlijk pas als de overledene boven aarde staat. Maar zolang kan mijn zoon (9) niet wachten. ,,Als opa dood is”, zegt hij, als we onze auto parkeren voor het appartement van mijn vader, ,,krijg ik dan ook wat van de erfenis?” Bij gebrek aan vermogen is de verdeling van het familiebezit bij ons thuis nooit een kwestie geweest. Dus vraag ik hem verbaasd waaraan hij dan denkt, bij een erfenis? ,,Iets waar ik wat aan heb”, zegt hij, ,,net als toen bij opa Simon.” Ook bij de dood van mijn schoonvader kan ik me niet herinneren dat er iets van een erfenis naar mijn zoon is gegaan. ,,De sjoelbak”, zegt hij in de lift naar de zesde etage, geïrriteerd over zoveel onbenul.
Onder dictatoriale regimes schijnt het heel normaal te zijn, maar aan de ontbijttafel kijken wij er toch even van op. ,,Ik heb voor je gestemd”, zegt mijn dochter, met een knikje in mijn richting. Haar blik glijdt naar mijn zoon en mijn eega, die achter een bordje ochtendpap voor zich uitstaren met de verdwaasdheid van avondmensen. ,,En voor jou ook, en voor jou ook.” Ik ben de enige die wil weten waarom. Voor het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap? De ouderraad van haar school? ,,Op Bohemian Rhapsody”, zegt ze. ,,Voor de Top 2000.”
Het kerstbomenmannetje kent me nog van vorig jaar, te oordelen naar de snelheid waarmee hij zich terugtrekt in het donkere tuinhuisje dat hem tegen weer, wind en lastige klanten moet beschutten. ,,Goeiemoggel!”, roep ik gemaakt vrolijk, terwijl de middagschemering plaatsmaakt voor het inktzwart van de decemberavond. ,,Ik kijk eerst wel even rond!” De blik van het mannetje gaat naar de klok aan de wand van zijn houten hokje, waarna ik zijn hoofd nog dieper tussen zijn schouders zie zakken. Een kwartier voor sluitingstijd. Als het net zo gaat als vorig jaar moet hij straks 27 blauwsparren aanslepen, uitschudden en na een mismoedig hoofdschudden van mijn kant, weer op hun plek zetten in zijn dode bomenbos.


