Het kerstbomenmannetje kent me nog van vorig jaar, te oordelen naar de snelheid waarmee hij zich terugtrekt in het donkere tuinhuisje dat hem tegen weer, wind en lastige klanten moet beschutten. ,,Goeiemoggel!”, roep ik gemaakt vrolijk, terwijl de middagschemering plaatsmaakt voor het inktzwart van de decemberavond. ,,Ik kijk eerst wel even rond!” De blik van het mannetje gaat naar de klok aan de wand van zijn houten hokje, waarna ik zijn hoofd nog dieper tussen zijn schouders zie zakken. Een kwartier voor sluitingstijd. Als het net zo gaat als vorig jaar moet hij straks 27 blauwsparren aanslepen, uitschudden en na een mismoedig hoofdschudden van mijn kant, weer op hun plek zetten in zijn dode bomenbos.