Het woord hysterisch wil ik niet in de mond nemen. Dat doet mijn vrouw wel, als ze het verhaal in de dagen daarna vertelt aan iedereen die ook maar een spoor van interesse toont. Licht geagiteerd, zou ik zelf mijn gemoedstoestand willen omschrijven, als ik me bij het veertiende tuincentrum in een vieze motregen en in het schemerduister een weg baan door een woud van aangevreten, slaphangende, zwaarkalende en scheefgegroeide kerstbomen, op zoek naar dat ene volmaakte exemplaar dat in onze huiskamer moet worden opgetuigd. Het kan zijn dat ik – als uitgerekend op dat moment mijn eega belt met de vraag of het nog een beetje lukt – mijn stem enigszins verhef met de uitroep: “Volgend jaar nemen we een kunstboom!” Waarna ik de mededeling van mijn wederhelft dat ik dan niet meer thuis hoef te komen, voor onverschillige kennisgeving aanneem.