De logiesverstrekkende tak van de horeca speelt al geen heldenrol in het klassieke kerstverhaal. Maar de herbergier die in het kerstspel bij ons op de lagere school moest figureren, leek zijn opleiding te hebben gehad in het horrorpension in Anjum. Op het moment dat de uitgeputte Jozef met zijn hoogzwangere Maria bij hem op de deur klopten, was het zijn taak ze op zo’n hartvochtige manier te weigeren dat het de Immigratie- en Naturalisatiedienst op een nieuwe berisping van de Nationale Ombudsman was komen te staan.
Wie in de huid kropen van de andere figuren in dit kerstdrama, weet ik dertig jaar na dato niet meer. Maar ik was de herbergier. Wat mij bij uitstek geschikt maakte voor deze karakterrol zou u moeten vragen aan degene die zowel de casting als de regie van dit stuk voor zijn rekening nam. Tegenwoordig zou hij iets hoogs bij Endemol hebben geambieerd, in mijn tijd was hij gewoon de meester van klas vier.
Dat er voor mij geen dragende rol in het kerstspel was weggelegd, was geen bron van frustratie. Ik kampte in mijn jongelingsjaren met een spraakgebrek dat zich in verhevigde mate voordeed op het moment dat ik aan een zeker mate van nervositeit ten prooi viel. Ik stotterde. Niet constant, maar wel bij bepaalde woorden en lettercombinaties. Bijna onneembare verbale barrières waren mededelingen die begonnen met een W of met een J.
De eerste van de twee zinnen die ik als herbergier in de kerstvertelling moest uitspreken zodra Jozef en Maria hun opwachting maakten bij mijn herberg, luidde (op barse toon): “Wat willen jullie!”
Zodra ik die tekst bij een eerste leessessie onder ogen kreeg, brak het angstzweet mij uit. Er lag een potentile tijdbom onder mijn rol. In de informele sfeer van de repetities kon ik me er nog wel redelijk vanaf maken. Soms smokkelde ik wat door eerst een langgerekt ‘Uuuuuuuuh’ voor de gewraakte eerste zin te plaatsen, om met een aanloopje mijn sluimerende handicap te maskeren.
Maar op het moment dat ik mijn nieuwtestamentische kledij aantrok om mij voor een volle gymzaal met ouders en opvoeders op te maken voor de feitelijke uitvoering, nam het misselijk makende gevoel van naderend onheil bezit van mij. Achter het op lakens geschilderde decor volgde ik met knikkende knien het hele proces van de onbevlekte ontvangenis en de lange tocht naar Bethlehem, in afwachting van mijn korte maar hevige optreden. Daar was de klop op de deur, het geopende luik en daar was ik zelf: de barse herbergier die het armoedige tweetal met krachtige stem zou heenzenden, waarna hen niets anders overbleef dan een toevlucht tot een schamele stal.
Mijn mond ging open en er kwam niets uit. Medestotteraars kennen dat gevoel wel. Je probeert een klank te vormen, maar het lijkt of je keel wordt dichtgeknepen. Voor mijn gevoel duurde dat proces vele tientallen seconden. In elk geval lang genoeg om een geërgerde Maria – op die leeftijd al een prima donna die ervan uitging dat ik mijn tekst was vergeten – bijna geluidloos te doen sissen: “Wat willen jullie!”, in de hoop daarmee het stokkende spel weer vlot te trekken. Jozef – al buitenspel gezet bij de bevruchting en derhalve gespeend van sterallures – begon lacherig om zich heen te kijken, wat het humeur van zijn gemalin er niet beter op maakte. “Wat willen jullie!”, articuleerde zij inmiddels duidelijk hoorbaar voor de eerste acht rijen van het publiek. “W-W-W-W”, kwam de hartvochtige herbergier haperend op gang, terwijl de rode vlekken in zijn nek zich naar wangen en voorhoofd uitbreidden.
“Wat willen jullie!”, stampvoette Maria, met een volume dat inmiddels tot in de verste uithoeken van de gymzaal reikte. Om, toen ik nog steeds niet in staat bleek om die zin uit mijn mond te krijgen, haar echtgenoot bij de arm te nemen en het initiatief met een grimmig gezicht volledig naar zich toe te trekken. “Kom op, we gaan wel in de stal slapen.”
En weg waren ze, net voordat de verbouwereerde horecaman er door het toevoegen van een enkel woordje opeens wel in slaagde de verbale hindernis te nemen: “Maar wat willen jullie nou?”
Hoe mooi en tekstvast het vervolg van het stuk ook was, de toehoorders gingen de kerstdagen in met maar één gedachte: als het kindeke Jezus het karakter van zijn moeder had gehad, was het nooit wat geworden met het christendom.
Uit de krant van 21 december 1998.
Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.