Bij het kunstrijden op de schaats, de rechtspraak in Noord-Korea en het Europese Songfestival is al aangetoond dat het oordeel van een jury niet zaligmakend is, houd ik mijn dochter voor. ,,Er hoeven maar een paar malloten in te zitten en het gaat de hele verkeerde kant op”, temper ik haar verwachtingen voor de finale van de ‘BBC Young Writers Award’, waartoe ze is doordrongen met een essay (‘Pulling Acceptance across the Threshold’) dat ik alleen volledig kan bevatten met behulp van de Longman Dictionary of Contemporary English. Maar dat kloeke woordenboek krijgt ze pas na afloop uitgereikt.
Categorie: Column (Pagina 18 van 25)
Zodra zijn moeder hem verbaal de les heeft gelezen over het na schooltijd ledigen van een zoveelste zak chips, neem ook ik onze zoon nog even heimelijk apart. Net als mijn vrouw ben ik ernstig teleurgesteld in zijn gedrag, al putten we daarvoor ieder uit een verschillende bron. Zij baalt ervan dat hij – ondanks herhaalde waarschuwingen – toch weer over de schreef is gegaan. En ik omdat hij de bewijzen voor zijn overtreding zo opzichtig in de bank voor de tv heeft achtergelaten. ,,Als je alles gewoon netjes had opgeruimd, sukkel, had er geen haan naar gekraaid.”
Lange tijd heb ik gedacht dat ik de enige was, een wetenschap die gepaard ging met eenzaamheid, vertwijfeling en middernachtelijke huilbuien. Maar zaterdag, tijdens Mooi Weer De Leeuw, zag ik opeens een collega, een lotgenoot eigenlijk, iemand met dezelfde aanleg en gedrevenheid. Zelfs mijn grootste critica – de vrouw die al meer dan 25 jaar aan mijn zijde vertoeft – kon een blik van herkenning niet onderdrukken. ,,Kijk daar heb je er nog een”, smaalde ze. ,,Zo’n vaatwasserinruimdeskundige.”
Als opvoeder heb je ook de taak je kind in te wijden in het sociaal-cultureel erfgoed van vorige generaties. Om die traditionele vader en zoon-dingetjes door te geven, zeker als daarmee ook nog eens de Europese economie wordt gestimuleerd. Dus kan ik het niet nalaten mijn stem te drenken in bitter verwijt als ik aan mijn jongste nazaat die ene, cruciale vraag stel: ,,Waarom speel jij eigenlijk nooit met mijn treintjes?”
Als laatste Nederlander ben ik begonnen in Gijp. Nee, niet bij de kapper, maar voor het slapen gaan. Ik was net ‘in between’ twee kloeke uitgaven uit de wereldliteratuur toen een vrouwelijke collega het boek met de trotse sticker van de NS Publieksprijs uit de redactiepost viste. ,,Hier, dit is wel wat voor jou”, zei ze. Ik was niet eens beledigd.
,,Tuurlijk wel. Boekie, altijd leuk.”
Binnen twee nachten las ik het uit.
Waar je ze mee op pad stuurt (een plak Kapitein Koek en een pakje Taxi) heb je zelf in de hand. Maar wat ze van de basisschool mee terugkrijgen is elke dag weer een verrassing. In de regel word ik verblijd door gekopieerde A4’tjes met mededelingen van verontrustende aard (‘Welke vader wil helpen met het kattenpoep-vrijmaken van de zandbak?’), maar het kan altijd erger.
Ver van het juridische slagveld waarop onderwijsinstituten en uitgevers elkaar inmiddels naar het leven staan, worstel ik me als kleine consument met behulp van mijn dochter door de website van Van Dijk Educatie uit Kampen. De bestelling voor haar boekenpakket is inmiddels de deur uit, maar bij die voor haar broertje – in alle opzichten een beginneling in brugklas havo/vwo – kan zij mij nog een hoop geld besparen. ,,Niet doen, die Grote Bosatlas”, waarschuwt ze. ,,Die heb ik boven nog liggen. In vier jaar tijd nog geen drie keer in gekeken.” Scheelt toch weer bijna 65 euro die een stoffige aardrijkskundeleraar zonder kennis van Google Maps en Google Earth me even uit de zak had willen kloppen.
Mannen die zelf hun overhemd strijken. Die weten hoe de wasmachine werkt. Of ongevraagd de stofzuiger door het huis halen. Dat noemen wij – de overgrote meerderheid voor wie deze activiteiten wezensvreemd zijn – de markt verpesten. Maar het kan altijd nog erger: op een maandagavond – als je met je echtgenote naar Pauw en Witteman zit te kijken – de Vlaamse schrijver Herman Brusselmans horen beweren dat hij elke zes maanden in het blad Humo een column wijdt aan de onuitputtelijke bron van liefde die hij koestert voor zijn vrouw. De triomfantelijke blik van de figuur naast mij op de bank staat haaks op het verwijt in haar stem: ,,Kijk, dat doe jij nou nooit…”
Als uitwonend student heeft onze dochter na drie weken zelfstandigheid haar eigen term voor de spaarzame bezoekjes aan het ouderlijk huis: foerageren. Aan de sleutel van de meterkast in onze hal hangt vrijwel constant een plastic tas met levensmiddelen, schone was en nagekomen post op haar te wachten. Maar vandaag komt ze ook langs omdat ze weet dat het mijn vaste beurt is om te koken. ,,Ja, gooi ook meteen maar een frikadel en een kroket in het vet.”
Een vergelijkbare euforie heb ik gekend op het moment dat de Belastingdienst automatisch mijn aangifte begon in te vullen. Een fractie van een seconde nadat ik het nummer van mijn Bonuskaart heb getikt in het daarvoor bestemde vakje, krijg ik – rijkelijk geïllustreerd met fotootjes – mijn complete boodschappenlijst van de afgelopen jaren op mijn beeldscherm. ,,Ze weten bij de supermarkt precies wat ik allemaal heb gekocht!”, roep ik verrukt naar mijn vrouw. ,,Wat handig!”