De Grote Gezinsagenda is voor de laatste week van het jaar nog blanco, maar daar gaan we wat aan doen. “Dus”, vat ik maar even samen, “morgen naar de dierentuin, woensdag naar Floris en vandaag naar het strand, want het is lekker wandelweer.” De verwachte juichkreten en blije gezichten blijven uit. “Ik had afgesproken met Dennis”, zegt mijn zoon, “om te gaan fietsen.” Mijn dochter krijgt een vriendin op bezoek, moet de dag daarop bij iemand langs en heeft voor de rest van de week vage logeerafspraken bij een paar neefjes. “Woensdag naar de film zou misschien wel kunnen”, zegt ze met een zuinig gezicht. Mijn zoon (8) trekt zijn jas aan en verdwijnt naar de schuur om zijn fiets te pakken. Mijn dochter (12) gaat de trap op naar haar kamer. “Jij gaat niet weg, hè?”, roept ze halverwege. “Doe jij zo even de deur voor mijn vriendin open?”
De nachtportier is in de meeste hotels een student, die in de dode uren blokt voor een tentamen. Maar wat doet de dagportier als er even niemand aanbelt? In ons hotel lees ik de krant, hang een beetje achter m’n laptop. Heel langzaam bekruipt me dat ouderwetse kerstvakantiegevoel. Ik verveel me.
Op papier hebben we het allemaal goed geregeld. Omdat we geen van beiden in de kerstvakantie vrij kunnen krijgen, werkt mijn vrouw overdag en draai ik avonddiensten, zodat er altijd iemand thuis is om met de kinderen ‘leuke dingen’ te doen. Werkende ouders doen hun kroost toch al zoveel tekort. Als de coördinator van een animatieteam van een middelgrote camping heb ik mij verdiept in de activiteiten die in de kerstvakantie kunnen worden ondernomen. Maar de eerste de beste dag zit ik met de krant voor de eettafel en mag ik vriendinnen binnenlaten die langskomen, of de deur opendoen voor fietsende nazaten met vriendjes die wat te drinken en wat te eten komen bietsen. De portier sjokt elk half uur naar de voordeur.
De dag erop moet ik spijkerhard onderhandelen om de trip naar de dierentuin te laten doorgaan. Mijn zoon heeft weer afgesproken met een vriendje. “Dan neem je je vriendje toch mee?” Nou, goed dan. Als ik zo nodig naar de dierentuin wil. Het voorstel om mijn dochter en haar vriendin ook mee te nemen wordt met zoveel minachting begroet, dat ik verder maar niet aandring. Het regent pijpenstelen, maar geduldig vergezellen mijn begeleiders mij naar de overdekte aquaria, de binnenstalling van de olifanten en de vleermuizengrot. Ze willen zelfs wat met me drinken en een patatje eten. Je moet er wat voor over hebben, als je vader naar de dierentuin wil.
De dag erop is het prachtig weer, maar nu heb ik via internet al de kaartjes voor de film gekocht.
De kerstweek is mager voor de bioscopen, lees ik in de krant. Maar wat wil je ook, als je alleen om 12.00 uur of om 16.55 uur naar Floris kunt? De laatste tijd valt af omdat ik dan in de knoop komt met m’n avonddienst. “Maar om 12.00 uur breekt het mijn hele dag”, klaagt mijn dochter. “Je hebt niks aan je ochtend, en je hebt niks aan je middag.” Als ik na de film nog naar McDonald’s wil, wordt er al op horloges gekeken. “Kun je mij op de terugweg ergens afzetten?”
Het is donderdag als ik besluit dat ik voor de rest van de vakantie geen activiteiten meer plan. Ik ga me gewoon lekker zitten vervelen en sjok naar de deur als de bel gaat. Mogen we een snoepje? Heb je wat te drinken? Kun je even je pasje van de videotheek geven?
Heel af en toe staat er iemand aan de deur met een vriendelijk woord. De bezorger van het reclamemateriaal van het Kruidvat wenst mij een gelukkig nieuwjaar.
Uit de krant van 3 januari 2005.
Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.